1. Extremadura en de vogels
  2. Vlaktes de Cáceres, Magasca y Trujillo

Vlaktes de Cáceres, Magasca y Trujillo

 

Vlaktes de Cáceres, Magasca y Trujillo

Ligging en bereikbaarheid

Zuidelijk van de Taag-rivier, strekt zich een grote vlakte uit, doorkliefd door de rivieren de Almonte en de Tamuja, waardoor een licht glooiend landschap is ontstaan, Dit gebied wordt met name benut voor de veeteelt in de weides en de verbouw van granen. De route ligt tussen de plaatsen Cáceres, Santa Marta de Magasca en Trujillo. De meest eenvoudige toegang is over de snelweg A58 (de oude N521) die Trujillo en Cáceres verbindt. De belangrijkst toegangsroute van Cáceres wordt gevormd door de A-66, zowel vanuit Mérida als vanuit Plasencia. Trujillo bereikt men via de E-90 komend vanuit Mérida of Navalmoral de la Mata. Indien het vertrekpunt het Nationaal Park Monfragüe is, hebben we meerdere mogelijkheden, via kleinere binnenwegen met schitterende landschappen. Zo komen we bijvoorbeeld bij het uitrijden van Torrejón el Rubio langs een kruispunt waar we over de EX-208 richting Trujillo kunnen gaan, of naar Cáceres over de EX-390, over wegen die niet teleur zullen stellen.

 

Beschrijving van de route

EHet vertrekpunt van de route ligt bij de afslag van de snelweg A-58 in de richting van Santa Marta de Magasca over de CC-99. Komend vanuit Cáceres, komen we deze afslag 7 km. na de afslag naar Sierra de Fuentes (naar rechts) tegen en komend vanuit Trujillo ligt de afslag 10 km. na de brug over de rivier de Gibranzos. Eenmaal op de CC-99, volgen we deze weg een kilometer of 14, totdat we aankomen in Santa Marta de Magasca, nadat we eerst door een smalle doorgang van de rivier de Tamuja zijn gekomen. Precies bij het binnenrijden van het dorp, voorbij de bushalte, nemen we de weg die rond het dorp loopt, linksaf. Deze weg loopt eerst door een boomweidegebied en daarna daalt hij richting de Magasca-rivier, om daarna opnieuw een gebied met weides en korenvelden te doorkruisen. Op zo´n 8 kilometer van Santa Marta de Magasca, komen we bij een kruispunt waar we richting Monroy kunnen gaan (op 22,2 km. afstand), of naar Trujillo (op 23,8 km.). Als we de eerste optie kiezen, rijden we eerst door weides en open dehesas om uiteindelijk bij de spectaculaire beek van de Almonte (op 18 km. van de kruising) uit te komen. Als we rechtsaf gaan richting Trujillo, komen we na 18 kilometer bij de kruising met de EX-208, die direct naar de genoemde plaats voert. De route eindigt in het oude centrum van Trujillo, waar we in de straten interessante vogels kunnen zien.

 

Ornithologische waarden

LDe route loopt langs één van de meest interessante vogelgebieden van de regio en het is dan ook niet verwonderlijk dat we hier door liefst vier verschillende gebieden komen die allen Vogelrichtlijngebied (ZEPA) zijn (ZEPA “Llanos de Cáceres en Sierra de Fuentes”, ZEPA “Magasca”, ZEPA “Riveros del Almonte” en ZEPA “Colonias de primilla de Trujillo”). Langs de complete tocht kunnen we een veelheid aan soorten en representatieve habitats zien die kenmerkend zijn voor deze streek, met een groot aandeel van natuurlijk grasland en korenvelden, afgewisseld door steeneikenopstanden in de weides (dehesas) en struiken (met name brem en kuiflavendel). Het grootste contrast in het landschap doet zich voor in de buurt van de riviertjes, waar we een abrupte overgang zien van de droogte van de vlaktes naar de weelderige rivierbeddingen, waarvan de steile wanden volledig overgroeid zijn met steeneiken en wilde olijfbomen. In de graslandgebieden zijn de typische steppevogels in ruime mate vertegenwoordigd, waarbij vanwege hun grote aantal vooral de kalanderleeuwerik, de theklaleeuwerik, degrauwe gors en de Spaanse mus opvallen. Zij zullen ons gedurende degehele tocht vergezellen, evenals andere soorten, zoals de steenuil, de kuifkoekoek, de hop, de roodborsttapuit, de graszanger, de zwarte spreeuw, de zuidelijke klapekster en de bijeneter. Als we de auto even stilzetten en goed kijken, kunnen we ook vogels zien die in minder grote aantallen aanwezig zijn, zoals de kortteenleeuwerik of de blonde tapuit. Het hele jaar door kunnen we grote trappen zien, maar in de lente zijn ze gemakkelijker te ontdekken, dankzij het opvallende prachtkleed. Om deze vogels te vinden wordt het aangeraden een hoog gelegen plek met goed uitzicht te kiezen en vervolgens de uitgestrekte vlakte uit te kammen met de verrekijker of de telescoop. De kleine trap is ook ruim vertegenwoordigd, maar vallen minder op in gebieden waar het gras of het koren hoog zijn. Zijn aanhoudende roep in de paartijd verraadt vaak zijn aanwezigheid, net als het geluid van zijn vlucht, die indrukwekkend is als er een omvangrijke zwerm overvliegt.

Om andere grasland-soorten te zien, zoals witbuikzandhoen, zwartbuikzandhoen en griel, is het aan te raden op één plek te blijven of de veedrijfpaden te bewandelen die de route kruisen. Ook de scharrelaar en de kleine torenvalk komen veel voor. Ze maken veelvuldig gebruik van de nestkastendie aan de telegraafpalen zijn gehangen. Op sommige stukken van de route vormen zich kolonies grauwe kiekendieven die hun nesten bouwen in de korenvelden langs de weg. Zij zijn met name actief in mei wanneer de eerste jongen geboren worden en het voederen begint.

Aan het einde van de lente en het begin van de zomer zijn de treksprinkhaan en andere krekelachtigen het meest talrijk. De vogels profiteren dan optimaal van deze voedselbron. Op de elektriciteitsmasten en –draden, evenals op de hekken langs de wegen zien we scharrelaars, torenvalken, zwarte wouwen en andere vogels zitten. Zij proberen hier één van de duizenden ongewervelde beestjes te vangen die de weg oversteken, want op de weg zijn deze veel beter zichtbaar dan in het grasland. De ongewervelden vormen ook de belangrijkste voedselbron voor de ooievaar en de koereiger, soorten waarvan grote koloniën kunnen ontstaan in de weinige beschikbare bomen.

De aanwezigheid van de monniksgier, de vale gier, de raaf en de aasgier hoeft ons ook niet te verbazen, want de uitgebreide veestapel van de steppe, vormt voorziet deze aasetende vogels aan voedsel. De omvangrijke kolonies monniksgieren die hun nesten in het Vogelrichtlijngebied (ZEPA) “Sierra de San Pedro” bouwen, vinden hier hun belangrijkste fourageergebied.

Ook voor grote roofvogels als de Spaanse keizerarend, de steenarend en de havikarend is dit een jachtterrein met veel prooien (konijnen, hazen en patrijzen), ook voor jonge, zwervende exemplaren. Tijdens de najaarstrek valt vooral de aanwezigheid van de tapuit, de blonde tapuit, de duinpieper, de bonte vliegenvanger, de paap en de gele kwikstaart op. Die we vaak vanuit de auto al kunnen zien.

In de winter zien we veel goudplevieren, kieviten, blauwe kiekendieven, graspiepers, veldleeuweriken, witte kwikstaarten en zelfs kokmeeuwen en kleine mantelmeeuwen, die langs de vele veedrinkpoelen vliegen. De grote velden met distels en andere planten met aantrekkelijke zaden voor de vogels brengen grote zwermen vinkachtigen, met name van putter, kneu, groenling en Europese kanarie samen.

In de weides en de struiken waar we langskomen voordat we bij de rivieren de Tamuja en de Magasca komen, verandert de avifauna aanzienlijk. Hier zien we veel voor deze plekken gebruikelijke soorten als buizerd, dwergarend, zomertortel, blauwe ekster, merel, grote lijster, baardgrasmus, kleine zwartkop, Provencaalse grasmus, pimpelmees, koolmees, etc. In de hellingen boven de rivieroevers is de vegetatie veel dichter en bosrijker, bijna ondoordringbaar. De veiligheid die dit biedt, wordt benut om een nest te bouwen door sommige roofvogels (zwarte wouw, slangenarend, sperwer, oehoe), zwarte ooievaar en typische bosvogels (houtduif, gaai, winterkoning, boomklever, boomkruiper, Orpheus-spotvogel). Op de vele rotspartijen op de hellingen kunnen we ook de blauwe rotslijster, de zwarte tapuit en de grijze gors vinden. Langs de rivieren komen we verder vogels tegen die hun nesten in de bruggen bouwen, zoals de rotszwaluw (eenvoudig te zien op de brug over de Tamuja), de roodstuitzwaluw en de huiszwaluw. Op de zand- en grindoevers zien we ook de kleine plevier, de witgat, de oeverloper, de witte kwikstaart en de grote gele kwikstaart onophoudelijk heen en weer lopen langs de bedding.

Aan het einde van de route komen we bij de plaats Trujillo, één van de weinige dorpen die uitgeroepen zijn tot Vogelrichtlijngebied (ZEPA), vanwege zijn belangrijke populatie van de kleine torenvalk. Lopend door de straten van het oude centrum kunnen we ontelbare vliegende exemplaren zien, en hun karakteristieke roep horen. We kunnen broedkolonies vinden bij de Plaza Mayor, op het kloostervan San Francisco, de Parador de Turismo, de Calle Encarnación en het paleis van Albaida, het paleis van Luis Chaves en de Arena (gelegen in een buitenwijk van het dorp en waar de grootste kolonie leeft). We kunnen ook genieten van de vele paren ooievaars die hun nesten bouwen op de daken en in de klokkentorens van de historische gebouwen en één van de identiteitskenmerken van Trujillo zijn geworden. Ook noemen we hier de nestelende populatie vale gierzwaluwen, die hier samenleeft met de gierzwaluw.

 

Seizoenskenmerken

De lente is de meest geschikte tijd van het jaar om deze route te bezoeken, omdat de samenstelling van de avifauna in deze streken dan onder andere bestaat uit vele zomergasten. In de winter, met de aankomst van de wintergasten, is het in ornithologisch opzicht echter ook interessant. De schoonheid van de steppe-achtige landschappen en het scherpe contrast met de rivieren maken deze route geschikt voor elk jaargetijde, zelfs in de zomer (mits we de centrale uren van de dag mijden). Het weinige verkeer op de wegen in de omgeving, biedt de mogelijkheid langzaam te rijden, waardoor het makkelijker is om vogels te zien.

We dienen niet te lang stil te blijven staan in de buurt van de kolonies die nesten hebben (de grauwe kiekendief, de witte ooievaar, de torenvalk, de koereiger) en om overlast voor de vogels te voorkomen, dienen we enige afstand te houden.

 

Overig natuurlijk en cultureel aanbod

Een bezoek aan Cáceres mag niet ontbreken. Deze stad staat op de werelderfgoed-lijst van de Unesco, heeft een mooi oud centrum en is bijzonder goed behouden. Daarnaast is het culturele aanbod er gevarieerd. Trujillo is ook een toeristische trekpleister, waar de oude joodse wijk, de kerk van San Martín, de kerk van Santiago, het Arabische kasteel en het Pizarro museum en het Kaas en Wijn museum te bezoeken zijn. In Cáceres kunnen we ook het Natuur- en Educatiecentrum “Olivar de los Frailes” bezoeken, dat uitgebreide informatie kan geven over de beschermde gebieden in de omgeving. In het plaatsje Sierra de Fuentes kunnen we een bezoek brengen aan het Asiel voor wilde dieren en Natuureducatiecentrum “Los Hornos”.